HERNE - Casimir Van Schepdael een paardenman met een verhaal

C21

HERNE - Casimir Van Schepdael een paardenman met een verhaal

Casimir_van_schepdael_2
HERNE - Casimir Van Schepdael een paardenman met een verhaal - © Deschuyffeleer
 

“Mensen met paarden, hebben de hemel op aarde, maar komen zij te sterven, valt er niets te erven”. Neen, dat gezegde klopt niet helemaal. Wat wel klopt is dat paardenmensen veelal echte dierenliefhebbers zijn en voor hun paarden veel, heel veel zelfs, over hebben. Een getuige hiervan is Casimir Van Schepdael uit Herfelingen. Hij is 83 en met de passende geestigheid stelt hij daarbij dat ‘één vierde van mijn leven versleet ik op, bij of met paarden en een ander vierde was ik een superverspreider van het paardenvirus’. Hierbij nam ook zijn lidmaatschap bij de Kesterse Gilde van het Paardenvolk een belangrijke plaats in. Ook zijn twee jaar oudere broer Pierre was een echte ‘pjeireman’. Hij overleed evenwel vorig jaar.

Casimir werd geboren in Kester/Berchom in 1938 als zoon van de toenmalige burgemeester Jozeph Van Schepdael maar woont al sinds 1965, het jaar dat hij huwde met Denise Vanhamme, in Herfelingen.  Als kind in een traditioneel landbouwersgezin van 7 kinderen werd hij van in de moederschoot mee betrokken in het dagdagelijks boerenleven. Casimir: “Als er al een gezegde is dat bij ons toepasselijk is geweest dan was het wel dat we ‘in het gareel werden gehouden”.  

Bella, Flika, Mina…

“Een paard, en ik heb het dan vooral over een boerenpaard, is niet zoals een tractor of een auto. Dat werkt niet met een contactsleutel en mazout. En dat werd kort na de oorlog ook niet zomaar gekocht en verkocht. Een goed boerenpaard dat kostte geld, veel geld zelfs en neen, een ‘paardenmarchand’ die mocht je ook al niet altijd geloven op zijn woord want ook bij paarden zijn er die je beter niet op stal hebt. Ik kon nog maar goed lopen en ik was al ‘bezeten’ van die grote, schone en sterke kolossen. Eigenlijk was dat niet zo abnormaal want bij ons thuis zijn er altijd paarden geweest. Bella, Flika, Mina,…. allemaal rijke herinneringen aan mijn kindertijd.

‘Nen boer en zijn pjeit dat is op zich al nen tweespan’ waarbij ‘ouw, juu en tjuk’ veel meer betekenen dan stilstaan, vooruit en links of rechts. We moeten er niet flauw over doen, vroeger moest er nog echt gewerkt worden op de boerderij. Als we thuiskwamen van school, moesten we eerst helpen op ’t hof en daarna pas kwam het huiswerk. Wij kweekten ook met ons paarden, dat wil zeggen dat er een paar weken per jaar moest gewaakt worden. Op het moment zelf niet altijd even plezant maar achteraf bekeken zijn we daar wel goed mee gevaren.

1,2 of 3 echte ‘paardenkrachten’

Op vergoedingen, subsidies en andere cadeaus moest je toen niet rekenen. Bij ’t ploegen, ’t eggen, ‘t zaaien en in den oogst- en den bietentijd  waren dagen van 6u ’s morgens tot 9u ’s avonds geen uitzondering. Gewillige en sterke trek- en werkpaarden konden bij die noeste labeur wel het verschil uitmaken.  Nu spreekt men van tractoren van 300, 400 en zelfs 500 Pk. Ik heb nooit dat vergelijk begrepen. Wij moesten het doen met 1 of 2 en heel soms 3 echte paardenkrachten. En door al die uren samen met die beesten was de kans groot dat je paard je van tijd tot tijd beter begreep dan je eigen familie”. 

Maar vanaf de mechanisering van de landbouw en de intrede van de tractor en van de auto verloor het paard een groot deel van zijn werkfunctie. Niet alleen het dagelijks leven van de boeren nam andere vormen aan. Ook was ‘werken als een paard’ niet meer letterlijk aan de orde. Het paard bleef meer en meer op stal en het werd eerder een gezelschapsdier voor recreatie, sport en show.  Ook bij de familie Van Schepdael deed ‘de loper’ in de betekenis van sportpaard zijn intrede.

Boerenpaard verdwijnt

“Hier op den buiten was het voor jonge boerenzonen, en dat was geldig van keuterboer tot herenboer, meer dan normaal dat zij ook konden paardrijden. En wie paardrijden zegt kwam dan ook terecht in het vaarwater van de zondagse organisaties waarbij ook de Boerenbond een grote rol speelde. De gildenwerking, de prijskampen, de landelijke rijverenigingen met hun tornooien en nog veel meer maakten dat het paard en vooral zijn berijder er een nieuw statussymbool bijkreeg. Het woord ‘ruiter’ deed dan ook zijn intrede.

In de jaren ’50 zocht de boerenjeugd zijn ontspanning vooral in het eigen dorp. Sommigen zochten hun vermaak in de muziekverenigingen, anderen bij de boogschutters of ook wel in de balspelen om  toch wel de hoekjes van dat harde leven wat af te ronden. De jaarlijkse Kesterkermis was een hoogdag. Onze Pierre en ik bleven vooral volbloed-paardenliefhebbers. En zo kwamen wij als jonge ventjes van goed 12 jaar terecht in de Gilde van het Paardenvolk, een vereniging met toen wel over de 60 leden . Meer dan 70 jaar ben ik al lid van die gilde en toen na Michel Van Slambrouck ook onze Pierre overleed nam ik voor een tijdje zijn functie van voorzitter van de gilde over. Dat voorzitterschap blijft in de familie want het werd intussen doorgegeven aan Patrick Van Schepdael, de zoon van Pierre. Nu ben ik 83 jaar en is de tijd van op een paard te zitten zo goed als voorbij maar lid van de gilde blijf ik waarschijnlijk voor altijd. 

De Gilde van het paardenvolk

De Gilde van het Paardenvolk is ontstaan goed 150 jaar geleden en heeft eigenlijk niet veel weg van de befaamde gildes uit de verre vorige eeuwen. Wij hebben wel een bestuur met vaste vergaderregels en ons attributen. Eigenlijk is onze gilde, zoals de naam het zegt, een vereniging van paardenvolk. Wel hebben wij één uitgesproken doel. Dat is ons jaarlijks inzetten voor de rondgang van de H. Drievuldigheidsprocessie. Die plechtige ommegang doet op de zondag na Pinksteren op haar route de kerken (Kester/Herfelingen /Oetingen) uit het voormalig Kestergewoud aan. Uit historische documenten blijkt dat de drie gemeenten tot aan het eind van het Ancien Régime zowel bestuurlijk als kerkelijk nauw met elkaar verbonden waren. Volgens de overlevering werd de processie indertijd ingesteld omdat het Kestergewoud van de pest gevrijwaard is gebleven”.

Boek en tentoonstelling

Het 150-jarig bestaan van de Gilde van het Paardenvolk wordt tijdens het weekend van 23 en 24 oktober in de kijker gezet. Er is dan de officiële voorstelling van het boek ‘150 jaar Gilde van het Paardenvolk’, een uitgave in samenwerking met de Heemkundige Kring van Gooik. Tijdens dat weekend is er ook een tentoonstelling met authentiek beeld- en filmmateriaal en documenten in de Chalet Heideruiters Kester (Heidestraat 10, 1755 Kester) die dan toegankelijk is van 10 tot 17 u. 

artikel afdrukken
 
Delen op FacebookDelen op TwitterDelen op GoogleDelen op DeliciousDelen op DiggDelen op StumbleuponEmail ditMeer...
 
12 okt 2021
Deschuyffeleer Godelieve
Deschuyffeleer Godelieve
 
 
 
Terug
 

Meer Nieuws

Commerciële partners, advertenties en vacatures
Marc Colpaert | 17 okt 2021
Marc Colpaert | 13 okt 2021

archief